‘Dus stop al je kleren in een vuilniszak en kom naar Blijf!’ weerklonk het aanstekelijke liedje op 25 juni 2024 in de Rode Hoed in Amsterdam. Die avond werd door burgemeester Femke Halsema een koninklijke erepenning uitgereikt aan de Blijf groep, die in 2024 hun vijftig jarig bestaan viert. Blijf staat vandaag de dag bekend als een gevestigd instituut dat slachtoffers van huiselijk geweld opvangt.
‘Dus stop al je kleren in een vuilniszak en kom naar Blijf!’ weerklonk het aanstekelijke liedje op 25 juni 2024 in de Rode Hoed in Amsterdam. Die avond werd door burgemeester Femke Halsema een koninklijke erepenning uitgereikt aan de Blijf groep, die in 2024 hun vijftig jarig bestaan viert. Blijf staat vandaag de dag bekend als een gevestigd instituut dat slachtoffers van huiselijk geweld opvangt.
Helaas is (seksueel) geweld tegen vrouwen in huiselijke sfeer een nog steeds toenemend maatschappelijk probleem. Anita Aerts, een van de oprichters van Blijf Amsterdam, vertelt in een interview met AT5 op 27 juli 2024 dat voor het eerst een tweede Blijf-huis is geopend in Amsterdam sinds de opening van het de eerste in 1974. De geschiedenis van de afgelopen vijftig jaar laat zien hoe essentieel de radicale begindagen waren voor het agenderen van deze problematiek, maar ook hoe belangrijk het was om als organisatie mee te ontwikkelen in de doorlopend veranderende maatschappij.
Wij willen ‘echt iets voor vrouwen doen’
Toen het eerste Blijf-van-mijn-lijf-huis (BVML-huis) in Amsterdam in 1974 werd opgericht, zag de toenmalige politiek (seksueel) geweld tegen vrouwen in huiselijke sfeer nog als een privéprobleem. Het zouden losstaande incidenten zijn, die op juridische gronden geen bescherming aan slachtoffers behoefde. Doel van de oprichting van het eerste BVML-huis was ‘echt iets voor vrouwen doen'. Dit uitgangspunt was oorspronkelijk besproken in de vergadering over het 'vrouwenproject JAC’ (JAC: het Jongeren Advies Centrum) op 17 december 1973. Tijdens deze bijeenkomst is de groep vrouwen gevormd die zich uiteindelijk afsplitsten van het JAC en het eerste BVML-huis opende.
De oprichters van de vroege BVML-huizen waren eigenzinnig en ideologisch. Door hun radicaalfeministische idealen te volgen, wat in eerste instantie leidde tot kraken, het ontwikkelen van een nieuwe vorm van zorgverlening en het empoweren van vrouwen die misbruikt worden, hebben zij ervoor gezorgd dat (seksueel) geweld tegen vrouwen in huiselijke sfeer als maatschappelijk probleem wordt gezien. Het fundament onder een lange praktijk van hulpverlening voor slachtoffers.
De organisatie van de BVML-huizen was in de begindagen doordrenkt met de ideologische achtergrond van de oprichters. Zij wilden aantonen dat (seksueel) geweld tegen vrouwen in huiselijke sfeer een product was van de patriarchale samenleving, en namen daar dan ook actief afstand van. Ze ontwikkelden het ‘deprofessioneel werken’, wat betekende dat ze alle vormen van hiërarchie en afhankelijkheid uit hun organisatie banden. Geen subsidies van overheid of gemeente, en iedere medewerker werkte in de beginjaren puur en alleen op vrijwillige basis.
‘Gewoon beginnen!’
Uit de notulen van de vergadering op 19 juni 1974 wordt duidelijk voor welk dilemma de oprichters van het eerste BVML-huis in Amsterdam zich gesteld voelden, daar waar het de huisvesting van het BVML-huis betrof:
“Via gemeentelijke kanalen of kraken? Via de gemeente zit het moeilijk. Eindeloze bijeenkomsten, voortdurend uitgelegd over een probleem ‘dat er niet is’.” We kunnen niets hard maken, noch met cijfers bewijzen, en daar zal het hen in eerste instantie om gaan. (...) Kraken omzeilt dat probleem. Gewoon beginnen, als we dan een aantal vrouwen in huis hebben, kan niemand er meer omheen.”
En ze kregen gelijk. Vlak nadat het eerste huis werd geopend liep het storm: ‘het aanbod creëerde de vraag'. Binnen de kortste keren waren er dertig tot veertig vrouwen en kinderen gehuisvest in het eerste BVML-huis in Amsterdam. 'We deden voortdurend dingen die wij nooit gedaan hadden (...) Je weet echt niet wat je te wachten staat' reflecteert Anita Aerts in 2024 in de Podcast OVT 50 jaar Blijf van mn Lijf.
Maar ondanks dat termen als kraken, activisme en 'deprofessioneel' eventueel chaotisch klinken, gingen de oprichters van het eerste BVML-huis professioneel en gedetailleerd aan de slag. Het archief van zowel BVML Amsterdam, Delft als Rotterdam laat dit sterk zien: de dozen zijn gevuld met op de typmachine netjes uitgetikte notulen van het grote aantal vergaderingen dat heeft plaatsgevonden. Wanneer je in deze notulen duikt zie je dat iedere stap tot in detail is uitgedacht: ellelange verslagen van de beweegredenen waarom er alleen vrijwilligers werkten, waarom de locatie van de huizen geheim werd gehouden, waarom ze een pand gingen kraken; lijsten met instanties die hulp boden aan slachtoffers; een uitgetikte handleiding om professioneel te kraken met getekende illustraties; correspondentie met andere BVML-huizen, de horizontale structuur, het stimuleren van zelfbeschikking van de slachtoffers, en noem maar op.
Deprofessioneel werken

Maar niet iedereen voelde zo sterk voor het radicaalfeminisme als de oprichters: de vrijwilligers, oprichters en slachtoffers voerden onderling veel politieke discussies. Daarom werd in de notulen van BVML-huis Amsterdam van 22 mei 1974 gesteld: “Goede feministiese activiteiten hoeven elkaar niet dwars te zitten”. Het bieden van hulpverlening aan slachtoffers was aan het einde van de dag altijd het allerbelangrijkst.
‘Kinderwerk’

De ‘professionalisering’ van het radicaalfeminisme
Vanaf de jaren tachtig verdween de sterk radicaalfeministische ideologie van de BVML-huizen steeds meer naar de achtergrond. Was het doel in de begindagen naast hulpverlening bieden aan slachtoffers, ook actievoeren en (seksueel) geweld tegen vrouwen in de huiselijke sfeer politiek agenderen, naarmate de tijd verstreek kreeg de opvang van slachtoffers steeds meer prioriteit. Het werd duidelijk dat de huizen onmisbaar waren in de maatschappij; de oorspronkelijke unieke manier van werken kon simpelweg de schaalomvang van de onderneming niet langer ondersteunen.
Een probleem ‘dat er niet is’?
In de late jaren tachtig was er een groot bedrag aan funding vrijgekomen, waarmee een grootschalig onderzoek naar de omvang van (seksueel) geweld tegen vrouwen in huiselijke sfeer gestart werd. In 1992, publiceerde professor Rénee Römkens, gespecialiseerd in gendergerelateerd geweld het resulaat: 20% van de Nederlandse vrouwen kwam eenduidig in aanraking met (seksueel) geweld in de huiselijke sfeer. 5% had te maken met terugkerend geweld en 8% van de vrouwen werd binnen hun huwelijk verkracht. Het onderzoek liet bovendien zien dat iedereen slachtoffer kon zijn: rijk, arm, zwart, wit, religieus of niet-religieus.
Deze cijfers waren schrikbarend. Ze zorgden mede voor een golf aan politieke besluiten die in de jaren negentig genomen werd: verkrachting binnen het huwelijk werd strafbaar, (seksueel) geweld binnen de huiselijke sfeer als maatschappelijk probleem beschouwen, vrouwen konden zelf een straatverbod aanvragen. De meeste van deze ontwikkelingen werden geïnitieerd door toenmalige staatssecretaris Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Hedy d’Ancona, die zelf bijzonder actief is geweest in de radicaalfeministische stroming van de 'tweede feministische golf' in de jaren zeventig.
Wie is het slachtoffer?
Het wetenschappelijke onderzoek onderstreepte de noodzaak van het bestaan van BVML-huizen in de maatschappij. Dat de oprichters van de BVML-huizen zich bezighielden met iets wat van zo'n groot maatschappelijk belang was, werd al veel eerder duidelijk. Zo vroegen de huizen in 1978 al subsidie aan waarmee zij de medewerkers die zich bezighielden met de zorg van de kinderen in loondienst konden nemen. In 1980 werd deze subsidie gegeven op voorwaarde dat er een centraal bestuur kwam voor alle BVML-huizen. Dit leidde tot de oprichting van de Blijf Groep.
Rondom de late jaren tachtig en vroege jaren negentig worden er van binnenuit de organisatie steeds meer vraagtekens gezet bij de deprofessionele manier van werken. Wanneer in 1997 het BVML-huis in Amsterdam wordt bezet door de bewoners, omdat er binnen het huis een onveilige sfeer is ontstaan, bereikt het een kookpunt. Ze nemen bewust afstand van de horizontale structuur en stellen een directeur aan. Deze geleidelijke verandering binnen BVML loopt in de pas met de politieke veranderingen en het wetenschappelijke onderzoek in die tijd: dit werd allemaal gedaan door vrouwen die actief waren in de feministische beweging die erin slaagden om concreet invloed uit te oefenen op de politiek en de maatschappij.
De huizen krijgen kleur
De jaren tachtig en negentig kenmerken zich ook als een periode waarin Nederland toenemend multicultureel wordt. De onafhankelijkheid van Suriname in de jaren tachtig, de stroom van migranten uit Indonesië en de werving van ‘arbeidsmigranten’ uit landen zoals Turkije en Marokko vindt zijn weerslag in de maatschappij. Dit was ook terug te zien in de BVML-huizen. Cecilia Pérez Yáñes, een van de eerste ZMV-vrouwen werkzaam bij Blijf, beschrijft in 2014 in een interview gepubliceerd door Atria dat in eerste instantie 60% tot 70% van de vrouwen die gehuisvest waren in Blijf wit was. In deze periode begint dit langzaam te veranderen.
ZMV-vrouwen
De toename van diversiteit binnen de BVML-huizen maakt ook duidelijk dat de deprofessionele manier van werken eigenlijk vooral passend was bij witte middenklasse vrouwen. Er moest op een andere manier gedacht gaan worden om een diverse groep vrouwen passende zorgverlening te bieden. Vanaf dat moment gaan de BVML-huizen ZMV-vrouwen werven als medewerkers om samen tot een nieuwe manier van werken te komen. Een passende werkwijze kan het beste uit de community zelf komen. Een van de eerste struikelblokken is het feit dat iedereen op vrijwilligersbasis werkt: veel ZMV-vrouwen kwamen uit een instabielere sociale context waardoor het onmogelijk is om op onbezoldigd te werken. Samen met de politieke veranderingen zorgde deze ontwikkeling binnen de BVML-huizen ervoor dat er binnen de organisatie naar een andere, inclusievere, vorm van bedrijfsvoering gezocht werd.

Blijf van m'n Lijf: (helaas) niet meer weg te denken
Tegenwoordig zijn de locaties van de meeste BVML-huizen openbaar, terwijl dat vroeger strikt geheim werd gehouden. Deze huizen heten Oranje Huizen: ‘(...) en waarom maken we niet een Blijfhuis (...) oranje, omdat dat natuurlijk een lekker opvallende kleur is, met een witte spriet met paarse ballen erop. Waarom maken we niet zo'n huis en zetten we een statement in de maatschappij: hier blijven wij met zijn allen vanaf. Wij beschermen onze vrouwen.’ aldus Cokky Roel, oud-directeur Blijfhuis Alkmaar, wanneer zij in 2014 terugkijkt op de omslag van de geheime Blijf-van-mijn-lijfhuizen naar de openbare Oranje Huizen vanaf 2010 die zij heeft geïnitieerd.
Sinds de jaren negentig is er veel veranderd. De BVML-huizen zijn professionele instituten onder de koepelorganisatie Blijf Groep. Ze bevinden zich in een breder netwerk van zorginstellingen, justitie en veiligheid. Slachtoffers van huiselijk geweld dienen zo gestroomlijnd mogelijk alle hulp te krijgen die zij nodig hebben. Op praktisch niveau is niet veel meer over van de deprofessionele manier van werken, maar de feministische context van waaruit gewerkt wordt is nog springlevend. Want geweld tegen vrouwen in huiselijke kring is helaas nog steeds een structureel maatschappelijk probleem.





