Een halve eeuw Blijf van m'n Lijf

Slaapkamer met stapelbed waarop een vrouw ligt en tafel waarachter een vrouw zit en jong meisje die bij ander stapelbed staat, met een waslijn door de kamer waar een handdoek aan hangt
Vrouwen en kind in een van de slaapkamers in een Blijf van m'n lijfhuis, 1981, fotograaf: Bertien van Manen, Collectie IAV-Atria

‘Dus stop al je kleren in een vuilniszak en kom naar Blijf!’ weerklonk het aanstekelijke liedje op 25 juni 2024 in de Rode Hoed in Amsterdam. Die avond werd door burgemeester Femke Halsema een koninklijke erepenning uitgereikt aan de Blijf groep, die in 2024 hun vijftig jarig bestaan viert. Blijf staat vandaag de dag bekend als een gevestigd instituut dat slachtoffers van huiselijk geweld opvangt.

Helaas is (seksueel) geweld tegen vrouwen in huiselijke sfeer een nog steeds toenemend maatschappelijk probleem. Anita Aerts, een van de oprichters van Blijf Amsterdam, vertelt in een interview met AT5 op 27 juli 2024 dat voor het eerst een tweede Blijf-huis is geopend in Amsterdam sinds de opening van het de eerste in 1974. De geschiedenis van de afgelopen vijftig jaar laat zien hoe essentieel de radicale begindagen waren voor het agenderen van deze problematiek, maar ook hoe belangrijk het was om als organisatie mee te ontwikkelen in de doorlopend veranderende maatschappij.

Wij willen ‘echt iets voor vrouwen doen’ 

Toen het eerste Blijf-van-mijn-lijf-huis (BVML-huis) in Amsterdam in 1974 werd opgericht, zag de toenmalige politiek (seksueel) geweld tegen vrouwen in huiselijke sfeer nog als een privéprobleem. Het zouden losstaande incidenten zijn, die op juridische gronden geen bescherming aan slachtoffers behoefde. Doel van de oprichting van het eerste BVML-huis was ‘echt iets voor vrouwen doen'. Dit uitgangspunt was oorspronkelijk besproken in de vergadering over het 'vrouwenproject JAC’ (JAC: het Jongeren Advies Centrum) op 17 december 1973. Tijdens deze bijeenkomst is de groep vrouwen gevormd die zich uiteindelijk afsplitsten van het JAC en het eerste BVML-huis opende. 

De oprichters van de vroege BVML-huizen waren eigenzinnig en ideologisch. Door hun radicaalfeministische idealen te volgen, wat in eerste instantie leidde tot kraken, het ontwikkelen van een nieuwe vorm van zorgverlening en het empoweren van vrouwen die misbruikt worden, hebben zij ervoor gezorgd dat (seksueel) geweld tegen vrouwen in huiselijke sfeer als maatschappelijk probleem wordt gezien. Het fundament onder een lange praktijk van hulpverlening voor slachtoffers. 

De organisatie van de BVML-huizen was in de begindagen doordrenkt met de ideologische achtergrond van de oprichters. Zij wilden aantonen dat (seksueel) geweld tegen vrouwen in huiselijke sfeer een product was van de patriarchale samenleving, en namen daar dan ook actief afstand van. Ze ontwikkelden het ‘deprofessioneel werken’, wat betekende dat ze alle vormen van hiërarchie en afhankelijkheid uit hun organisatie banden. Geen subsidies van overheid of gemeente, en iedere medewerker werkte in de beginjaren puur en alleen op vrijwillige basis. 

‘Gewoon beginnen!’ 

Uit de notulen van de vergadering op 19 juni 1974 wordt duidelijk voor welk dilemma de oprichters van het eerste BVML-huis in Amsterdam zich gesteld voelden, daar waar het de huisvesting van het BVML-huis betrof: 

Via gemeentelijke kanalen of kraken? Via de gemeente zit het moeilijk. Eindeloze bijeenkomsten, voortdurend uitgelegd over een probleem ‘dat er niet is’.” We kunnen niets hard maken, noch met cijfers bewijzen, en daar zal het hen in eerste instantie om gaan. (...) Kraken omzeilt dat probleem. Gewoon beginnen, als we dan een aantal vrouwen in huis hebben, kan niemand er meer omheen.” 

En ze kregen gelijk. Vlak nadat het eerste huis werd geopend liep het storm: ‘het aanbod creëerde de vraag'. Binnen de kortste keren waren er dertig tot veertig vrouwen en kinderen gehuisvest in het eerste BVML-huis in Amsterdam. 'We deden voortdurend dingen die wij nooit gedaan hadden (...) Je weet echt niet wat je te wachten staat' reflecteert Anita Aerts in 2024 in de Podcast OVT 50 jaar Blijf van mn Lijf.  

Maar ondanks dat termen als kraken, activisme en 'deprofessioneel' eventueel chaotisch klinken, gingen de oprichters van het eerste BVML-huis professioneel en gedetailleerd aan de slag. Het archief van zowel BVML Amsterdam, Delft als Rotterdam laat dit sterk zien: de dozen zijn gevuld met op de typmachine netjes uitgetikte notulen van het grote aantal vergaderingen dat heeft plaatsgevonden. Wanneer je in deze notulen duikt zie je dat iedere stap tot in detail is uitgedacht: ellelange verslagen van de beweegredenen waarom er alleen vrijwilligers werkten, waarom de locatie van de huizen geheim werd gehouden, waarom ze een pand gingen kraken; lijsten met instanties die hulp boden aan slachtoffers; een uitgetikte handleiding om professioneel te kraken met getekende illustraties; correspondentie met andere BVML-huizen, de horizontale structuur, het stimuleren van zelfbeschikking van de slachtoffers, en noem maar op.   

Deprofessioneel werken 

De doelstelling van ons projekt van die vormen van konkrete hulpverlening die tevens ten goede komen aan het algemene doel: de bevrijding van de vrouw als vrouw.’ Aldus de notulen van BVML-huis Amsterdam op 25 maart 1974. 

De kritiek die de oprichters van het eerste BVML-huis hadden op de reguliere hulpverlening was dat de slachtoffers op deze manier in een eeuwig cyclus van afhankelijkheid zouden vervallen. Waarin ze eerst afhankelijk waren van hun mishandelende partner - in 1974 was de hoeveelheid vrouwen die financieel onafhankelijk was van hun partner nog een stuk lager dan nu - om vervolgens in een afhankelijke positie binnen de zorgverlening terecht te komen. In plaats dat de slachtoffers werden empowered, werden er beslissingen voor hen genomen en was het uiteindelijke doel uiteindelijk ook terug keren naar de thuissituatie. 

De oprichters van het BVML-huis wilden dit anders aanpakken. Er werd daarom voor een horizontale structuur gekozen binnen de gehele organisatie. De medewerkers en stagiaires werkten op vrijwillige basis zodat er geen hiërarchie zou ontstaan, zoals die in de hulpverlening. Daarnaast was het de bedoeling dat de slachtoffers die naar het BVML-huis kwamen zelf de verantwoordelijkheid namen over het bijhouden van het huishouden in de huizen en het verzorgen van eten. Ze kregen zakgeld (als ze niet al een uitkering hadden), ondernamen zelf stappen om andere hulpverlening te zoeken en vingen nieuwe slachtoffers op in het huis.  

Dit ging binnen de organisatie zo ver dat er tot 1978 geen subsidie werd aangevraagd en het huis leefde op giften. De gedachte was dat er een machtssysteem ontstaat en patriarchale patronen herhaald worden als je afhankelijk bent van subsidie. Toen Blijf in 1980 voor het eerst wel subsidie ontving, om de medewerkers die verantwoordelijk waren voor de verzorging van de kinderen van de slachtoffers te betalen, stopten sommige medewerkers die er ideologisch op tegen waren.  BVML-Groningen sloot om diezelfde reden hun deuren. 

Deprofessioneel betekende dus geenszins onprofessioneel. In het oprichtingsmanifest van Blijf Amsterdam staat dan ook het volgende: “Hiermee bedoelen wij dat wij al in ons ‘aanbod duidelijk willen maken dat BLIJF VAN M'N LIJF geen ‘opvang’ biedt, geen vrijblijvende hulp, maar steun en konkrete, praktische hulp wil bieden aan vrouwen die bereid zijn terug te vechten en hun eigen kastanjes uit het vuur te halen. Wij proberen hier een systematische, methodische benadering voor te ontwikkelen, via literatuurstudie, bespreking van onze eigen hulpverleningservaringen en inzichten en rollenspellen. Daarbij wordt steeds duidelijker dat een eigen theorievorming onontbeerlijk is. 

Wit affiche met een tekst in zwarte letters die begint met: mishandeld door man of vriend ..... en via welke telefoonnummers vrouwen contact kunnen opnemen.
Affiche Je kunt weg, als je wilt van Stichting Blijf van m'n Lijf, Collectie IAV-Atria

Maar niet iedereen voelde zo sterk voor het radicaalfeminisme als de oprichters: de vrijwilligers, oprichters en slachtoffers voerden onderling veel politieke discussies.  Daarom werd in de notulen van BVML-huis Amsterdam van 22 mei 1974 gesteld: “Goede feministiese activiteiten hoeven elkaar niet dwars te zitten”. Het bieden van hulpverlening aan slachtoffers was aan het einde van de dag altijd het allerbelangrijkst. 

‘Kinderwerk’

In de notulen van de BVML-huizen valt de term ‘kinderwerk’ veelvuldig. ‘Kinderwerk’ betekende niet dat kinderen moesten werken in het BVML-huis, maar sloeg op medewerkers, voorheen vrijwilligers, die zich bezighielden met de verzorging van de kinderen die mee waren gekomen met de slachtoffers. Dat gaf de slachtoffers de ruimte om hun eigen zaken op orde te krijgen. 

Het ‘kinderwerk’ leidde ertoe dat de oprichters en medewerkers de deprofessionele manier van werken in de huizen gingen bevragen. De eerste subsidie voorde BVML-huizen in 1980 was dan ook bedoeld om de ‘kinderwerkers’ te betalen. Het idee van de horizontale structuur hield nu eenmaal geen stand daar waar het de verzorging van de kinderen betrof. Daarnaast zorgde het ook voor de vraag of er misschien niet ook mannen betrokken moesten zijn bij de organisatie. Zou een positief vaderfiguur voor de kinderen niet meer dan gewenst zijn? 

Twee vrouwen zitten op de bank. Bij een vrouw hangt een kind op schoot. Aan de rechterkant loopt een klein meisje door de  kamer.
Twee vrouwen en kinderen in de zitkamer van een Blijf van m'n lijf-huis, 1980, fotograaf: Bertien van Manen, Collectie IAV-Atria
De ‘professionalisering’ van het radicaalfeminisme 

Vanaf de jaren tachtig verdween de sterk radicaalfeministische ideologie van de BVML-huizen steeds meer naar de achtergrond. Was het doel in de begindagen naast hulpverlening bieden aan slachtoffers, ook actievoeren en (seksueel) geweld tegen vrouwen in de huiselijke sfeer politiek agenderen, naarmate de tijd verstreek kreeg de opvang van slachtoffers steeds meer prioriteit. Het werd duidelijk dat de huizen onmisbaar waren in de maatschappij; de oorspronkelijke unieke manier van werken kon simpelweg de schaalomvang van de onderneming niet langer ondersteunen. 

Een probleem ‘dat er niet is’? 

In de late jaren tachtig was er een groot bedrag aan funding vrijgekomen, waarmee een grootschalig onderzoek naar de omvang van (seksueel) geweld tegen vrouwen in huiselijke sfeer gestart werd. In 1992, publiceerde professor Rénee Römkens, gespecialiseerd in gendergerelateerd geweld het resulaat: 20% van de Nederlandse vrouwen kwam eenduidig in aanraking met (seksueel) geweld in de huiselijke sfeer. 5% had te maken met terugkerend geweld en 8% van de vrouwen werd binnen hun huwelijk verkracht. Het onderzoek liet bovendien zien dat iedereen slachtoffer kon zijn: rijk, arm, zwart, wit, religieus of niet-religieus. 

Deze cijfers waren schrikbarend. Ze zorgden mede voor een golf aan politieke besluiten die in de jaren negentig genomen werd: verkrachting binnen het huwelijk werd strafbaar, (seksueel) geweld binnen de huiselijke sfeer als maatschappelijk probleem beschouwen, vrouwen konden zelf een straatverbod aanvragen. De meeste van deze ontwikkelingen werden geïnitieerd door toenmalige staatssecretaris Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Hedy d’Ancona, die zelf bijzonder actief is geweest in de radicaalfeministische stroming van de 'tweede feministische golf' in de jaren zeventig.  

Wie is het slachtoffer? 

De onderzoeker van de bovengenoemde cijfers, Renée Römkens, licht in een interview van OVT in 2020 toe dat gepaard met deze politieke beslissingen de terminologie ook onzijdig werd gemaakt. Van (seksueel) geweld tegen vrouwen in huiselijke sfeer ging het ineens over ‘partnergeweld’ en 'huiselijk geweld’. Een spijtige  ontwikkeling, want het onzijdig maken van deze termen verhult het gegeven dat dit soort geweld doorgaans vooral gericht is tegen vrouwen. 

Oorspronkelijk waren de BVML-huizen juist hier specifiek mee bezig. Ze boden uitsluitend opvang voor vrouwen, en in de notulen van een vergadering in 1974 is het volgende terug te lezen: Er zijn in Nederland geen instellingen die zich bezig houden met – resp. zich bewust zijn van – de politieke aard van vrouwenproblemen.’’. De BVML-huizen waren dan ook specifiek geopend omdat in die tijd (seksueel) geweld tegen vrouwen in de huiselijke sfeer als symptoom van de patriarchale samenleving werd gezien.  

In 2004 opent het eerste huis voor mannen die slachtoffers zijn van huiselijk geweld onder de vleugels van de Blijf-groep. De blik is door de jaren heen verruimd, Blijf is een organisatie die meegaat met de hedendaagse ontwikkelingen van het feminisme: genderproblematiek raakt de gehele maatschappij. Desondanks is het belangrijk bewust stil te blijven staan bij het gegeven dat huiselijk geweld voornamelijk vrouwen en personen uit de lhbti+ gemeenschap treft. 

Het wetenschappelijke onderzoek onderstreepte de noodzaak van het bestaan van BVML-huizen in de maatschappij. Dat de oprichters van de BVML-huizen zich bezighielden met iets wat van zo'n groot maatschappelijk belang was, werd al veel eerder duidelijk. Zo vroegen de huizen in 1978 al subsidie aan waarmee zij de medewerkers die zich bezighielden met de zorg van de kinderen in loondienst konden nemen. In 1980 werd deze subsidie gegeven op voorwaarde dat er een centraal bestuur kwam voor alle BVML-huizen. Dit leidde tot de oprichting van de Blijf Groep.  

Rondom de late jaren tachtig en vroege jaren negentig worden er van binnenuit de organisatie steeds meer vraagtekens gezet bij de deprofessionele manier van werken. Wanneer in 1997 het BVML-huis in Amsterdam wordt bezet door de bewoners, omdat er binnen het huis een onveilige sfeer is ontstaan, bereikt het een kookpunt. Ze nemen bewust afstand van de horizontale structuur en stellen een directeur aan. Deze geleidelijke verandering binnen BVML loopt in de pas met de politieke veranderingen en het wetenschappelijke onderzoek in die tijd: dit werd allemaal gedaan door vrouwen die actief waren in de feministische beweging die erin slaagden om concreet invloed uit te oefenen op de politiek en de maatschappij. 

De huizen krijgen kleur 

De jaren tachtig en negentig kenmerken zich ook als een periode waarin Nederland toenemend multicultureel wordt. De onafhankelijkheid van Suriname in de jaren tachtig, de stroom van migranten uit Indonesië en de werving van ‘arbeidsmigranten’ uit landen zoals Turkije en Marokko vindt zijn weerslag in de maatschappij. Dit was ook terug te zien in de BVML-huizen. Cecilia Pérez Yáñes, een van de eerste ZMV-vrouwen werkzaam bij Blijf, beschrijft in 2014 in een interview gepubliceerd door Atria dat in eerste instantie 60% tot 70% van de vrouwen die gehuisvest waren in Blijf wit was. In deze periode begint dit langzaam te veranderen. 

ZMV-vrouwen 

In de jaren 70 en 80 ontstaat er in Nederland een beweging van vrouwen met verschillende achtergronden die zich vinden in de naam ‘zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen’ (ZMV-vrouwen). De term ZMV is een tijdgebonden term. Het refereert naar de feministische strijd van vrouwen die een koloniale band met Nederland hebben of van vrouwen die in het postkoloniale tijdperk naar Nederland migreerden of vluchtten. 

De toename van diversiteit binnen de BVML-huizen maakt ook duidelijk dat de deprofessionele manier van werken eigenlijk vooral passend was bij witte middenklasse vrouwen. Er moest op een andere manier gedacht gaan worden om een diverse groep vrouwen passende zorgverlening te bieden. Vanaf dat moment gaan de BVML-huizen ZMV-vrouwen werven als medewerkers om samen tot een nieuwe manier van werken te komen. Een passende werkwijze kan het beste uit de community zelf komen. Een van de eerste struikelblokken is het feit dat iedereen op vrijwilligersbasis werkt: veel ZMV-vrouwen kwamen uit een instabielere sociale context waardoor het onmogelijk is om op onbezoldigd te werken. Samen met de politieke veranderingen zorgde deze ontwikkeling binnen de BVML-huizen ervoor dat er binnen de organisatie naar een andere, inclusievere, vorm van bedrijfsvoering gezocht werd. 

Affiche met foto van vrouw die staat met handen over elkaar en tekst: helaas 15 jaar 'Blijf van m'n Lijf' en als de vrouwen eens terug zouden slaan?
Affiche Helaas 15 jaar Blijf van m'n lijf, vormgevingscollectief InBeelding, Collectie IAV-Atria
Blijf van m'n Lijf: (helaas) niet meer weg te denken 

Tegenwoordig zijn de locaties van de meeste BVML-huizen openbaar, terwijl dat vroeger strikt geheim werd gehouden. Deze huizen heten Oranje Huizen: ‘(...) en waarom maken we niet een Blijfhuis (...) oranje, omdat dat natuurlijk een lekker opvallende kleur is, met een witte spriet met paarse ballen erop. Waarom maken we niet zo'n huis en zetten we een statement in de maatschappij: hier blijven wij met zijn allen vanaf. Wij beschermen onze vrouwen.’ aldus Cokky Roel, oud-directeur Blijfhuis Alkmaar, wanneer zij in 2014 terugkijkt op de omslag van de geheime Blijf-van-mijn-lijfhuizen naar de openbare Oranje Huizen vanaf 2010 die zij heeft geïnitieerd. 

Sinds de jaren negentig is er veel veranderd. De BVML-huizen zijn professionele instituten onder de koepelorganisatie Blijf Groep. Ze bevinden zich in een breder netwerk van zorginstellingen, justitie en veiligheid. Slachtoffers van huiselijk geweld dienen zo gestroomlijnd mogelijk alle hulp te krijgen die zij nodig hebben. Op praktisch niveau is niet veel meer over van de deprofessionele manier van werken, maar de feministische context van waaruit gewerkt wordt is nog springlevend. Want geweld tegen vrouwen in huiselijke kring is helaas nog steeds een structureel maatschappelijk probleem.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Opzij, oktober-november 2024.

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Wij gebruiken cookies om onze website te verbeteren en te analyseren hoe deze wordt gebruikt. Je kunt ervoor kiezen alle cookies te accepteren of je voorkeuren aan te passen.